Logo
vzw SPECIAALKLUB KLEURKANARIES
KLEURKANARIES HOUDEN IS EEN MOOIE HOBBY


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
                  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 [5]     Het (-)-teken duidt op “onvolledige factorwerking”, en komt op elk X-chromosoom in die vorm voor
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Vandaar dan ook naar alle waarschijnlijkheid het aanzienlijk tijdsverschil tussen het ontstaan van mozaïekpop en –man.
Over de juiste verervingsvorm van mozaïeken zijn er anders ook al wel genoeg meningen en theorieën geuit. De ene al iets geloofwaardige dan de andere, maar nog nooit met voldoende zekerheid. Wat achteraf bezien ook moeilijk anders kan, omdat het genetische bij vogels allemaal nog zoveel ingewikkelder lijkt dan bij mensen, waarbij genonderzoek eigenlijk ook zelfs daar nog in zijn kinderschoenen staat.
Om maar een voorbeeld te geven, zouden kanaries in tegenstelling tot zoogdieren naast het bekend aantal van 18 macrochromosomen (9 paar), ook nog een 70- à 80-tal kleinere, buiten de celkern gelegen, microchromosomen bezitten waarvan buiten het vermoeden dat ze het volledige enzymensysteem zouden beheren, verder weinig of niets is bekend.
 
Vererven op een normale wijze lijkt bij mozaïeken dus zo goed als uitgesloten en omdat te verduidelijken zetten we alle klassieke mogelijkheden en gedachten even op een rij.
1.  De mozaïekfactor zou geslachtsgebonden vererven:
en als zodanig op een X-chromosoom gelegen zijn, wat lange tijd vrij algemeen werd aangenomen, maar niet ten volle mogelijk is aangezien er dan uit combinaties van hedendaagse volwaardige mozaïek T2-mannen met willekeurige gele of rode vetstofpoppen theoretisch vrijwel altijd overeenkomende mozaïekdochters zouden moeten voorkomen, wat in praktijk zeker niet het geval is. Bekwam men vroeger uit eenzelfde paring met zgn. mozaïektype mannen, naast veel gevlekte “afval”, af en toe ook wel eens een degelijke mozaïekdochter, dan  is dit aantal in de loop der jaren d.m.v. degelijke T2-mannen wel flink toegenomen, zonder evenwel van een zekere regelmaat te kunnen spreken. Zeer waarschijnlijk omdat verschillen in vnl. bevederinglengte (intensiviteit), net zoals bij alle andere vetstofkleurslagen, een zekere eenvormigheid beletten.
2.  De mozaïekfactor zou onafhankelijk vererven:
wat eigenlijk slechts vrij recent werd gedacht, ook al omdat men er ondertussen was achtergekomen dat het strikt geslachtsgebonden niet mogelijk leek.
Maar ook onafhankelijk niet, om de heel eenvoudige reden dat in dit geval de mozaïekpoppen en –mannen:
1ste       gelijktijdig zouden moeten zijn ontstaan en niet de pop eerst en de man slechts vele jaren later!
2de er egaal zouden moeten uitzien, m.a.w. identiek hetzelfde patroon zouden moeten vertonen, omdat eventueel bijkomende kapoetsensijsinvloed via een X-chromosoom eerder onmogelijk lijkt
3.  De mozaïekfactor zou overwegend geslachtsgebonden vererven, deels ook onafhankelijk.
Wat uiteraard steeds ten dele opgaat voor alle kleur- en tekeningsfactoren die aan de geslachtshormonen gekoppeld zijn en waarop steeds één of meer bijkomstige onafhankelijk verervende kleurbeïnvloedende eigenschappen zoals o.a. intensief-, schimmel- of blauwfactor, van invloed zijn, zo ook voor de mozaïekfactor, maar dan zeker niet meer dan dat!
 
Hoogstwaarschijnlijke verervingswijze:
Wat ons steeds is voorgehouden als dat het Y-chromosoom bij een pop geen genen zou bevatten, zodus “ledig” zou zijn voor geslachtsgebonden eigenschappen, kenmerken of factoren zou ondertussen achterhaald zijn.
Er zou al bij mens en dier zijn vastgesteld dat er zich wel degelijk, zij het beperkt, op bepaalde gedeeltes van het Y-chromosoom een drietal verschillende zones of gebieden zouden bevinden waarop al dan niet genen zouden kunnen voorkomen en waarvan voorbeelden bekend zijn.
Het Y-chromosoom zou zorgen voor een gerichte oriëntatie naar het vrouwelijk geslacht. De voornaamste eigenschappen van het vrouwzijn zouden er op zijn verenigd m.a.w. moesten er op dit chromosoom geen genen voorkomen dan zouden er waarschijnlijk ook  geen echte (volwaardige) poppen zijn omdat ze allemaal naar het mannelijke zouden overhellen.
Zijn de geslachten bij man en pop oorspronkelijk onzijdig, niet man en ook niet pop, dan zou de pop hoofdzakelijk door toedoen van het Y-chromosoom tot geslachtsontwikkeling komen door de vorming van een eierstok (de tweede blijft onontwikkeld), waar de man twee testikels bekomt onder invloed van zijn X-chromosoom.
Testikels en eierstok zorgen van dan af voor de productie van de geslachtshormonen respectievelijk testosteron en oestron, die uiteindelijk verantwoordelijk zouden zijn voor de  voornaamste verschillen tussen man en pop. Bij de mens zou dus eigenlijk juist het omgekeerde gebeuren, ontbreken er bepaalde genen op het Y-chromosoom van de man dan ontstaan vrouwelijke trekken. Zo ook bij de vogels, valt o.a. bij oude poppen door degeneratie van hun eierstok de aanmaak weg van het vrouwelijk geslachtshormoon, dan gaan de mannelijke eigenschappen op hun X-chromosoom wel eens domineren en kan het dat die oude pop overgaat tot zingen.
Wel is waar niet zo krachtig als een man (daartoe spelen nog andere eigenschappen een rol, zoals, bij voorbeeld de ontwikkeling van de syrinx in de keel), maar toch wel opvallend.
Tot daar heel beperkt, mogelijke invloed van het Y-chromosoom op het geslacht, zoals het bij de mens reeds grotendeels zou vaststaan, maar logischerwijze nog niet helemaal bij onze vogels.

Principiële voorstelling en om een onderlinge vergelijking mogelijk te maken zijn op de afbeelding het paar XY- chromosomen naast elkaar getekend, waar ze normaal zoals gezegd steeds onder elkaar in geslachtscellen voorkomen.
Zone III: in deze zone bevat het Y-chromosoom in tegenstelling tot het X-chromosoom duidelijk geen genen.
Zone II: beide chromosoomgedeeltes zijn in deze zone niet homoloog m.a.w. niet overeenkomstig wat eventuele overdracht via crossing-over van Y naar X bij gebrek aan overeenkomstige allelen onmogelijk maakt.
Eventuele factoren op dit gedeelte van het Y-chromosoom gelegen gaan steeds rechtstreeks over op de dochters, waarvan de benaming “rechtstreeks geslachtsgebonden vererving”.
Zone I of m.a.w.  de zone die ons het meest interesseert en voor de mozaïekfactor waarschijnlijk de zone van de waarheid, omdat in dit beperkt gebied beide XY-chromosomen in tegenstelling tot daarnet in zone II, wel overeenkomstig zouden zijn, met allelomorfen op X en Y, waardoor er in dit geval eventueel wel onderlinge uitwisseling van één of meerdere factoren van Y naar X, door crossing-over mogelijk zou zijn. Wat dus naar mijn mening waarschijnlijk ook met de mozaïekfactor het geval is geweest.
 
Nog een ander bewijs dat de mozaïekfactor wel degelijk hoofdzakelijk op de geslachtschromosomen moet liggen is o.a. het gegeven dat het mozaïekpatroon slechts tot uiting komt bij de jeugdrui, wanneer onder genetische invloed van voornamelijk de X- of Y-geslachtschromosomen en via differente hormonale weg, t.z.t. ook het geslachtsmechanisme, de geslachtsrijpheid bij respectievelijk man en pop op gang komt.
 
Rest mij nu eigelijk nog alleen te vertellen waar het verschil in patroon bij beide seksen vandaan komt, wat door het feit dat er weinig of geen geslachtsdimorfisme in het spel zou zijn en beiden, man en vrouw, de mozaïekfactor ook elk tweemaal bezitten, op het eerste zicht wel opmerkelijk lijkt, maar al bij al toch eenvoudig is te verklaren.
Het verschil zit hem gewoon in het Y-chromosoom dat bij de pop wel aanwezig is en bij de man niet en waarop er zich naar alle waarschijnlijkheid nog één of meerdere beïnvloedende factoren moeten bevinden die buiten de “finale” crossing-over zijn gevallen en zodoende niet samen met het hoofdgen voor mozaïek naar de man zijn overgegaan maar bij de pop zijn achtergebleven.
Wat verder betekent, althans in theorie, dat gelijkheid in patroon bij mozaïekman en –pop, in de toekomst wel eens tot de mogelijkheden zou kunnen behoren, wanneer er nl. een nieuwe crossing-over tot stand zou komen waarbij ook die ontbrekende factor(en) is betrokken! Wie weet…!
 
In formulevorm
 
Verervingswijze: bijzondere vorm van geslachtsgebondenheid
- De oorspronkelijke mozaïekpop bekwam de mozaïekfactor m op haar Y-chromosoom door mutatie uit de mozaïekwildvorm
m+  (m = mozaïek)  =
 
- Hedendaagse mozaïekpoppen-T1 bezitten de factor op zijn sterkst en dubbel, m.a.w. de volle oorspronkelijke mutatie m op het Y-chromosoom plus de gedeeltelijke vorm m(-) uit crossing-over van Y à X, op het X-chromosoom, wat doorgaans resulteert in een mooi, duidelijk en standvastig patroon:
                                        ([5])
- De eerste man die de factor overerfde van het X-chromosoom van een mozaïekpop werd mozaïekverervend  (5)
 
- Hedendaagse mozaïekmannen-T2 bezitten de factor ook dubbel:                (5), zij het duidelijk afwijkend van T1-poppen
                                                                                                                            
Ziezo, dat was dan mijn zienswijze op afkomst en vererving bij mozaïekkanaries. Ik hoop ondanks de moeilijkheidsgraad van het
onderwerp toch voldoende duidelijk te zijn geweest.
Of het allemaal wel klopt is een andere zaak. Ikzelf blijf er in ieder geval vast in geloven tot …. het tegenovergestelde zal zijn bewezen.

Historiek

 
Mozaïekpoppen zouden het eerst zijn voorgekomen in Nederland rond 1930. Hun afkomst is steeds van 't begin af onduidelijk geweest met de kapoetsensijsgedachte op de voorgrond, omdat er vnl. rond deze periode, en eigenlijk ook nog erna, vrij veel met deze kleine exoten experimenteel zou zijn gekruist.
Nu ja, mijn mening daaromtrent kent U reeds zodat het nog weinig zin heeft er nog op terug te komen, want eensgezindheid over hun oorsprong zal er hoogstwaarschijnlijk toch nooit komen.
Lectuur uit die tijd beschrijft de oorspronkelijke mozaïekpoppen als oppervlakkig meer lipochroom gekleurd dan de huidige type 1. Eigenlijk meer gelijkend op onze hedendaagse T2-mannen, met enige maskervorming, een meer uitlopend patroon en een min of meer lichtlipochrome bijtint er rond op plaatsen waar op heden wordt van verwacht kleurloos wit te zijn.
Mijn eerste kennismaking met mozaïeken dateert uit de beginjaren zestig, toen ze samen met rood intensieven en zalmen, verschillende jaren tot mijn lievelingsvogels hebben behoord.
Veel mozaïeken waren er weliswaar nog niet, maar het mag toch gezegd dat er toen ook al mooie exemplaren te bewonderen vielen. Zo had ik zelf ook zo'n vrouwelijke ‘uitschieter’ die mij steeds is bijgebleven en voor zover ik mij nog kan herinneren (al is dat na ± 35 jaren vrij relatief) best de vergelijking kon doorstaan met huidige toppers: mooi groot, goed gebouwd, fier en vnl. in 't bezit van een degelijk afgelijnd en begrensd mozaïekpatroon. Het enige dat geen vergelijk aankon was de kleurdiepte van de rode (oranje!) vetstofkleur of m.a.w. het verschil tussen wortelsap uit de centrifuge van toen en de moderne stimulerende rode kleurstoffen (o.a. canthaxanthine en carrophyl) uit het potje van nu.
Aan degelijke mozaïekpoppen komen was in die tijd uiteraard moeilijk en kostelijk, maar geschikte mannen vinden was  voor de leek eigenlijk nog moeilijker.
Men had het over enkel en dubbel mozaïekfactorig of ook nog over typemozaïek, allemaal uitdrukkingen die voor de doorsnee liefhebber van toen veelal 'Latijn' betekende en slechts bij enkele zgn. kenners als enigszins verstaanbaar overkwam. Het kwam er vooral op aan die mannen met het duidelijkst en beste zgn. type mozaïekpatroon, van de anderen te kunnen onderscheiden, want alleen zij met een beperkt en begrensd lipochroombezit op de geschikte plaatsen van het patroon en voor de rest overwegend wit, bleken geschikt om samen met degelijke mozaïekpoppen ook de mooiste mozaïekdochters voort te brengen. 
Kweken met minder gunstig opgebleekte type-mozaïekmannen bleek eerder een loterij met slechts af en toe enig resultaat, de benaming mozaïek waardig.
Die periode van onzekerheid heeft zo wat geduurd tot ongeveer einde de jaren zestig, begin zeventig, toen de meer hedendaagse mozaïekmannen hun intrede deden met een duidelijkere en vooral meer stabiele mozaïektekening. Van dan af is het met de mozaïeken eigenlijk steeds crescendo gegaan . De inbreng van vnl. glosters en ivoorkanaries heeft verder tot gevolg gehad dat de bevedering langer en zachter werd en de verschillende kleurvlakken in het patroon sterker werden begrensd, duidelijker afgelijnd en vooral ook het omliggende van de meeste bijtint werd gezuiverd. Dit alles is aanleiding geweest tot een duidelijker patroon, wittere, meer helder contouren en vooral een mooier en beter contrast.
Later zijn er in  o.a. in Frankrijk nog ernstige pogingen tot verbetering ondernomen o.a. door de inbreng van dominantwit, waarvan men een bepaald ogenblik zelfs dacht dat de mozaïeken er wel eens rechtstreeks uit zouden zijn ontstaan. Maar of dat zo is, en of de dominantwitfactor ooit nog tot enige verbetering van het mozaïekpatroon heeft bijgedragen betwijfel ik ten stelligste, omdat 't eerste wat we te zien kregen uit deze proeven, was het verdwijnen van de borstvlek.
Ondertussen waren er ook gemelaniseerde mozaïeken , waarbij vooral inbreng van de kleine Italiaanse hybriden voor de voornaamste kentering heeft gezorgd. Ten goede of ten kwade wil ik hier in het midden laten, omdat de meningen daartoe sterk zijn verdeeld en eigenlijk een hoofdstuk op zich vormen en waarop we in een van volgende afleveringen zeker zullen terugkomen.
Zo zijn we tenslotte bij de hedendaagse mozaïeken aangeland. Naar mijn bescheiden mening moet in de verdere ontwikkeling van het patroon geen spectaculaire verbeteringen meer verwacht worden, daar we zo stilaan op een punt zijn aanbeland waarop experimenteren met alles en nog wat waarschijnlijk nog weinig zin heeft en alleen verder doorgedreven selectie en stammenkweek per type, nog voor enige evolutie of toch zeker voor meer stabiliteit van het mannelijk en vrouwelijk mozaïekpatroon zou kunnen zorgen.