|
DE KEURLIJST
ALLE KEURSCHALEN
Voor iedere keurschaal geldt dat in de praktijk maximaal 52 punten worden toegekend voor kleur.
In de schalen 2 en 3 worden deze punten bereikt door in de twee van toepassing zijnde rubrieken 29 en 23 punten dan wel 28 en 24 punten toe te kennen, zulks ter beoordeling van de keurmeester. In schaal 4 wordt het maximum aantal punten in de praktijk bereikt door in de drie kleurrubrieken achtereenvolgens 29, 9 en 14 punten toe te kennen.
In schaal 5 wordt het maximum aantal kleurpunten bereikt door in de twee van toepassing zijnde kleurrubrieken achtereenvolgens 18 en 34 punten toe te kennen.
In schaal 6 kunnen in de (drie) kleurrubrieken respectievelijk maximaal 9, 9 en 34 punten gegeven worden.
In alle keurschalen worden over de kleurrubrieken gezamenlijk minimaal 42 punten gegeven.
KLEURRUBRIEKEN
Schaal 1
In schaal 1 van de keurlijst worden alle LIPOCHROOM WIT vogels (al of niet met rode ogen) beoordeeld door punten toe te kennen in de rubriek “Lipochroom”.
In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 55 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 52 punten.
In de eerste plaats wordt hier de zuiverheid van de witte kleur beoordeeld. Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd worden er punten in mindering gebracht.
Bij de vogels met dominant witte lipochroomkleur moet in de onderste vleugelpennen een minimale, doch waarneembare gele lipochroomkleur aanwezig zijn, de zogenaamde aanslag.
Indien deze aanslag storend aanwezig is of niet zuiver geel, wordt maximaal 3 punten in mindering gebracht.
Schaal 2
In schaal 2 van de keurlijst worden alle GELE en RODE LIPOCHROOMVOGELS beoordeeld (al of niet met rode ogen en/of met de ivoorfactor en zonder de mozaïekfactor).
Op de keurlijst wordt bij de rubriek “Lipochroom” alleen de lipochroomkleur gewaardeerd. We beoordelen in deze rubriek enkel en alleen de zuiverheid van de tint en de diepte van de lipochroomkleur. In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 30 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 29 punten.
Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd, worden er punten in mindering gebracht. Vogels welke sterk meerkleurig zijn, krijgen maximaal 20 punten in deze rubriek.
In schaal 2 van de keurlijst beoordelen we bij de rubriek “Categorie” de intensieffactor en de schimmelfactor.
In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 25 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 24 punten.
Intensief
Bij intensieve vogels moet de lipochroomkleur in de totale bevedering aanwezig zijn en het uiteinde van iedere veer bereiken.
De vleugel- en staartpennen mogen iets lichter zijn dan de lichaamsbevedering, ze moeten echter wel kleurstof bevatten en mogen niet storend afsteken tegen de rest van het lichaam.
Intensieve vogels moeten een gladde en glanzende bevedering tonen.
Al naar gelang de kwaliteit van de intensieffactor worden punten in mindering gebracht.
Indien een vogel niet glanst of er is sprake van onvolledige intensiviteit, dan worden er al naar gelang de ernst van de afwijking punten in mindering gebracht, met een minimum van 2 punten.
Schimmel
Schimmelvogels tonen een heldere korte en gelijkmatige schimmel op de bevedering.
Is de schimmel te lang of te kort of is er sprake van een onregelmatige verdeling, dan worden er al naar gelang de ernst van de afwijking punten in mindering gebracht, met een minimum van 2 punten.
Schaal 3
In schaal 3 van de keurlijst worden alle melaninevogels met WIT LIPOCHROOM beoordeeld.
In deze schaal wordt in de eerste rubriek (“Melanine”) de kwaliteit van het melanine beoordeeld.
In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 30 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 29 punten.
Bij een gemelaniseerde vogel moet over de gehele bevedering melanine waarneembaar zijn, tenzij bij de afzonderlijke kleurslagen anders is beschreven.
De zwart- en bruinserie
Bij de zwart- en bruinserie is de hoeveelheid van het melaninebezit identiek, alleen de kleur verschilt.
In de zwartserie maximaal zwart eumelanine.
In de bruinserie maximaal donkerbruin eumelanine.
Beide series moeten een duidelijke, ononderbroken bestreping laten zien.
Het ideaalbeeld van de bestreping is dat de bestreping iets smaller is dan de zones (grondkleur) tussen deze bestreping (verhouding 40/60). Iets bredere bestreping (verhouding 50/50) wordt getolereerd. Voor schimmels mag de bestreping iets breder zijn dan voor de intensieve exemplaren (verhouding maximaal 60/40).
Duidelijke en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.
De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.
De agaat- en isabelserie
Bij de agaat- en isabelserie moet de werking van de 1e reductiefactor duidelijk zichtbaar zijn. Hierdoor wordt de bestreping iets fijner en onderbroken in tegenstelling tot de vogels uit de zwart- en bruinserie. Als indicatie kan gesteld worden dat de bestreping in de agaat- en de isabelserie ongeveer half zo breed is als de bestreping van de vergelijkbare vogels in de zwart- en de bruinserie, indicatie verhouding 25/75 (ook hier betekent dit dat bij de schimmels de bestreping iets breder is dan bij intensieve vogels.).
De bestreping en de kleur van de pennen bij de agaat is zwart en bij de isabel bruin.
Duidelijke en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.
De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.
Voor de vier melaninegroepen onderscheiden wij de volgende eisen:
Het melaninebezit begint aan de snavelbasis.
Duidelijke bestreping, beginnend op de kop en via de rug en flanken doorlopend in de richting van de staart.
Symmetrische bestreping in de rug en de flanken.
In de regel geen zichtbaar pheaomelanine (m.u.v. de bruin schimmels, deze moeten naast het maximale eumelanine ook maximaal pheaomelanine in hun bevedering tonen)
De grondkleur wordt beoordeeld in de rubriek waar de fout zich voordoet. Als de grondkleur te licht is door te weinig aanwezigheid van melanine of niet waarneembaar door te veel aan melanine dan wordt dit bestraft in de rubriek melanine. Wanneer de grondkleur niet goed waarneembaar is als gevolg van het feit dat het lipochroom te zwak is wordt dat beoordeeld in de rubriek “Lipochroom”.
Ook bij gemelaniseerde vogels komt bontheid voor. Dit kan bestaan uit melanineloze veren, delen van veren of hoorndelen, zoals een melanineloze nagel of snavel.
Indien dit wordt geconstateerd, wordt de vogel niet gewaardeerd met punten.
Te breed omzoomde pennen bestraffen we met 2 of meer punten, afhankelijk van de ernst van de geconstateerde afwijking.
Zijn de hoorndelen (snavel, poten en nagels) lichter dan het overige melaninebezit, dan vindt naar rato puntenaftrek plaats.
In schaal 3 wordt in de 2e rubriek (“Lipochroom”) de zuiverheid van de het witte lipochroomkleur beoordeeld.
In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 25 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 24 punten.
Het lipochroom moet zuiver wit zijn en optimaal verweven met het melaninebezit. Bij vogels met de dominant witfactor moet in de onderste vleugelpennen een gele aanslag zichtbaar zijn. Bij deze kleurslag waarderen we dus de helderheid van het wit samen met de tint van de aanslag. Als de kleur niet zuiver(helder) wit is en/of niet optimaal verweven met het melaninebezit, worden al naar gelang de afwijking punten in mindering gebracht. Als de aanslag in de vleugelpennen storend aanwezig is of niet zuiver geel, dan straffen we dat door maximaal 2 punten in mindering te brengen, als de aanslag op andere plaatsen aanwezig is worden al naar gelang de afwijking meer punten in mindering gebracht. Bij de vogels met recessief wit lipochroom beoordelen we de helderheid en de glans welke op de bevedering aanwezig zijn.
Al naar gelang de fout worden punten in mindering gebracht. |