Logo
vzw SPECIAALKLUB KLEURKANARIES
KLEURKANARIES HOUDEN IS EEN MOOIE HOBBY
                                                                                             
 

KEURTECHNIEK

ALGEMENE KEURTECHNIEK VOOR LIPOCHROOM KANARIES

Onder lipochroom kanaries verstaan wij alle kleurkanaries die geen waarneembaar melanine in de bevedering of hoorndelen laten zien.

Deze vogels moeten geheel éénkleurig zijn, met uitzondering van de mozaïeken.

De lipochroom kleurkanaries omvatten de exemplaren, die in het bezit zijn van wit (recessief of dominant), geel of rood lipochroom, waarvan geel en rood ook in combinatie met de ivoorfactor en/of de mozaïekfactor kunnen voorkomen.

ALGEMENE KEURTECHNIEK VOOR GEMELANISEERDE KANARIES

De kleur van de gemelaniseerde kleurkanaries wordt gevormd door en samengesteld uit melaninen en lipochroomkleuren.

Melanine is een kleur die bij de kanaries voorkomt in de bevedering, snavel, ogen, poten, nagels en de huid. We onderscheiden het melanine bij kleurkanaries in twee vormen, te weten:

-          Eumelanine

-          Pheaomelanine

Het eumelanine is hoofdzakelijk geconcentreerd in de rug- en flankbestreping, om en in de schacht van de veren, in het dons, in de ogen en in de hoorndelen (huid, snavel, poten en nagels).

Eumelanine is zwart, donkerbruin tot bruin van kleur. Het pheaomelanine is het grijsbruine, bruine tot beige waas dat over gemelaniseerde vogels ligt en hoofdzakelijk tussen de bestreping waarneembaar is. Tot de gemelaniseerde kanaries rekenen we alle kleurkanaries die zichtbaar melanine in de bevedering en in de hoorndelen (snavel, poten en nagels) laten zien.

De beide melanine kleurstoffen kunnen zowel gezamenlijk als afzonderlijk in de bevedering van de vogels voorkomen. Zowel het eumelanine als het pheaomelanine komen voor in rug- en flankbestreping, tussen de bestreping, in de contourbevedering, in vleugel- en staartpennen en in de donsbevedering. Alle vleugel- en staartpennen laten aan de vaanzijde een smalle lipochroomrand zien.

Voorts zijn er een aantal factoren die invloed hebben op de uiting van het melanine. Deze zullen verder in deze standaardeisen afzonderlijk worden behandeld.

In de gemelaniseerde kleurkanaries onderscheiden we vier basisgroepen.

Dit onderscheidt heeft te maken met de kleur van het melanine:

1-       De zwartserie.

2-       De bruinserie.

3-       De agaatserie.

4-       De isabelserie.

 

Alle gemelaniseerde kanaries danken hun kleuruiting aan de combinatie van melaninen met een van de lipochroomkleuren wit, geel of rood.

Bij de keuring onderscheiden we de melanine- en de lipochroomkleur.

De verschillende kleurslagen bij onze kanarie ontstaan doordat het melanine, het lipochroom of beide beïnvloed kunnen worden door een mutatie

 
 

DE KEURLIJST

ALLE KEURSCHALEN

Voor iedere keurschaal geldt dat in de praktijk maximaal 52 punten worden toegekend voor kleur.

In de schalen 2 en 3 worden deze punten bereikt door in de twee van toepassing zijnde rubrieken 29 en 23 punten dan wel 28 en 24 punten toe te kennen, zulks ter beoordeling van de keurmeester. In schaal 4 wordt het maximum aantal punten in de praktijk bereikt door in de drie kleurrubrieken achtereenvolgens 29, 9 en 14 punten toe te kennen.

In schaal 5 wordt het maximum aantal kleurpunten bereikt door in de twee van toepassing zijnde kleurrubrieken achtereenvolgens 18 en 34 punten toe te kennen.

In schaal 6 kunnen in de (drie) kleurrubrieken respectievelijk maximaal 9, 9 en 34 punten gegeven worden.

In alle keurschalen worden over de kleurrubrieken gezamenlijk minimaal 42 punten gegeven.

KLEURRUBRIEKEN

Schaal 1

In schaal 1 van de keurlijst worden alle LIPOCHROOM WIT vogels (al of niet met rode ogen) beoordeeld door punten toe te kennen in de rubriek “Lipochroom”.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 55 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 52 punten.

In de eerste plaats wordt hier de zuiverheid van de witte kleur beoordeeld. Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd worden er punten in mindering gebracht.

Bij de vogels met dominant witte lipochroomkleur moet in de onderste vleugelpennen een minimale, doch waarneembare gele lipochroomkleur aanwezig zijn, de zogenaamde aanslag.

Indien deze aanslag storend aanwezig is of niet zuiver geel, wordt maximaal 3 punten in mindering gebracht.

Schaal 2

In schaal 2 van de keurlijst worden alle GELE en RODE LIPOCHROOMVOGELS beoordeeld (al of niet met rode ogen en/of met de ivoorfactor en zonder de mozaïekfactor).

Op de keurlijst wordt bij de rubriek “Lipochroom” alleen de lipochroomkleur gewaardeerd. We beoordelen in deze rubriek enkel en alleen de zuiverheid van de tint en de diepte van de lipochroomkleur. In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 30 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 29 punten.

Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd, worden er punten in mindering gebracht. Vogels welke sterk meerkleurig zijn, krijgen maximaal 20 punten in deze rubriek.

In schaal 2 van de keurlijst beoordelen we bij de rubriek “Categorie” de intensieffactor en de schimmelfactor.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 25 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 24 punten.

 

Intensief

Bij intensieve vogels moet de lipochroomkleur in de totale bevedering aanwezig zijn en het uiteinde van iedere veer bereiken.

De vleugel- en staartpennen mogen iets lichter zijn dan de lichaamsbevedering, ze moeten echter wel kleurstof bevatten en mogen niet storend afsteken tegen de rest van het lichaam.

Intensieve vogels moeten een gladde en glanzende bevedering tonen.

Al naar gelang de kwaliteit van de intensieffactor worden punten in mindering gebracht.

Indien een vogel niet glanst of er is sprake van onvolledige intensiviteit, dan worden er al naar gelang de ernst van de afwijking punten in mindering gebracht, met een minimum van 2 punten.

Schimmel

Schimmelvogels tonen een heldere korte en gelijkmatige schimmel op de bevedering.

Is de schimmel te lang of te kort of is er sprake van een onregelmatige verdeling, dan worden er al naar gelang de ernst van de afwijking punten in mindering gebracht, met een minimum van 2 punten.

 

Schaal 3
 

In schaal 3 van de keurlijst worden alle melaninevogels met WIT LIPOCHROOM beoordeeld.

In deze schaal wordt in de eerste rubriek (“Melanine”) de kwaliteit van het melanine beoordeeld.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 30 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 29 punten.

Bij een gemelaniseerde vogel moet over de gehele bevedering melanine waarneembaar zijn, tenzij bij de afzonderlijke kleurslagen anders is beschreven.

 

De zwart- en bruinserie

Bij de zwart- en bruinserie is de hoeveelheid van het melaninebezit identiek, alleen de kleur verschilt.

In de zwartserie maximaal zwart eumelanine.

In de bruinserie maximaal donkerbruin eumelanine.

Beide series moeten een duidelijke, ononderbroken bestreping laten zien.

Het ideaalbeeld van de bestreping is dat de bestreping iets smaller is dan de zones (grondkleur) tussen deze bestreping (verhouding 40/60). Iets bredere bestreping (verhouding 50/50) wordt getolereerd. Voor schimmels mag de bestreping iets breder zijn dan voor de intensieve exemplaren (verhouding maximaal 60/40).

Duidelijke en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.

De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.

 

De agaat- en isabelserie

Bij de agaat- en isabelserie moet de werking van de 1e reductiefactor duidelijk zichtbaar zijn. Hierdoor wordt de bestreping iets fijner en onderbroken in tegenstelling tot de vogels uit de zwart- en bruinserie. Als indicatie kan gesteld worden dat de bestreping in de agaat- en de isabelserie ongeveer half zo breed is als de bestreping van de vergelijkbare vogels in de zwart- en de bruinserie, indicatie verhouding 25/75 (ook hier betekent dit dat bij de schimmels de bestreping iets breder is dan bij intensieve vogels.).

De bestreping en de kleur van de pennen bij de agaat is zwart en bij de isabel bruin.

Duidelijke en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.

De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.

 

Voor de vier melaninegroepen onderscheiden wij de volgende eisen:

Het melaninebezit begint aan de snavelbasis.

Duidelijke bestreping, beginnend op de kop en via de rug en flanken doorlopend in de richting van de staart.

Symmetrische bestreping in de rug en de flanken.

In de regel geen zichtbaar pheaomelanine (m.u.v. de bruin schimmels, deze moeten naast het maximale eumelanine ook maximaal pheaomelanine in hun bevedering tonen)

De grondkleur wordt beoordeeld in de rubriek waar de fout zich voordoet. Als de grondkleur te licht is door te weinig aanwezigheid van melanine of niet waarneembaar door te veel aan melanine dan wordt dit bestraft in de rubriek melanine. Wanneer de grondkleur niet goed waarneembaar is als gevolg van het feit dat het lipochroom te zwak is wordt dat beoordeeld in de rubriek “Lipochroom”.

Ook bij gemelaniseerde vogels komt bontheid voor. Dit kan bestaan uit melanineloze veren, delen van veren of hoorndelen, zoals een melanineloze nagel of snavel.

Indien dit wordt geconstateerd, wordt de vogel niet gewaardeerd met punten.

Te breed omzoomde pennen bestraffen we met 2 of meer punten, afhankelijk van de ernst van de geconstateerde afwijking.

Zijn de hoorndelen (snavel, poten en nagels) lichter dan het overige melaninebezit, dan vindt naar rato puntenaftrek plaats.

In schaal 3 wordt in de 2e rubriek (“Lipochroom”) de zuiverheid van de het witte lipochroomkleur beoordeeld.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 25 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 24 punten.

Het lipochroom moet zuiver wit zijn en optimaal verweven met het melaninebezit. Bij vogels met de dominant witfactor moet in de onderste vleugelpennen een gele aanslag zichtbaar zijn. Bij deze kleurslag waarderen we dus de helderheid van het wit samen met de tint van de aanslag. Als de kleur niet zuiver(helder) wit is en/of niet optimaal verweven met het melaninebezit, worden al naar gelang de afwijking punten in mindering gebracht. Als de aanslag in de vleugelpennen storend aanwezig is of niet zuiver geel, dan straffen we dat door maximaal 2 punten in mindering te brengen, als de aanslag op andere plaatsen aanwezig is worden al naar gelang de afwijking meer punten in mindering gebracht. Bij de vogels met recessief wit lipochroom beoordelen we de helderheid en de glans welke op de bevedering aanwezig zijn.

Al naar gelang de fout worden punten in mindering gebracht.

 
 

Schaal 4

In schaal 4 van de keurlijst worden alle melaninevogels met GEEL of ROOD LIPOCHROOM beoordeeld (al of niet met ivoorfactor en zonder de mozaïekfactor).

In schaal 4 wordt in de eerste rubriek (“Melanine”) de kwaliteit van het melanine beoordeeld.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 30 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 29 punten.

Bij een gemelaniseerde vogel moet over de gehele bevedering melanine waarneembaar zijn, tenzij bij de afzonderlijke kleurslagen anders is beschreven.

 

De zwart- en bruinserie

Bij de zwart- en bruinserie is de hoeveelheid van het melaninebezit identiek wat betreft de hoeveelheid, alleen de kleur verschilt.

In de zwartserie maximaal zwart eumelanine.

In de bruinserie maximaal donkerbruine eumelanine.

Beide series moeten een duidelijke ononderbroken bestreping laten zien.

Het ideaalbeeld van de bestreping is dat de bestreping iets smaller is dan de zones (grondkleur) tussen deze bestreping (verhouding 40/60). Iets bredere bestreping (verhouding 50/50) wordt getolereerd. Voor schimmels mag de bestreping iets breder zijn dan voor de intensieve exemplaren (verhouding maximaal 60/40).

Duidelijk en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.

De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.

 

De agaat- en isabelserie

Bij de agaat- en isabelserie moet de werking van de 1e reductiefactor duidelijk zichtbaar zijn. Hierdoor wordt de bestreping iets fijner en onderbroken in tegenstelling tot de vogels uit de zwart- en bruinserie. Als indicatie kan gesteld worden dat de bestreping in de agaat- en de isabelserie ongeveer half zo breed is als de bestreping van de vergelijkbare vogels in de zwart- en de bruinserie, indicatie verhouding 25/75 (ook hier betekent dit dat bij de schimmels de bestreping iets breder is dan bij intensieve vogels).

De bestreping en de kleur van de pennen bij de agaat is zwart en bij de isabel bruin.

Duidelijke en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.

De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.

 

Voor de vier melaninegroepen onderscheiden wij de volgende eisen:

Het melaninebezit begint aan de snavelbasis.

Duidelijke bestreping, beginnend op de kop en via de rug en flanken doorlopend in de richting van de staart.

Symmetrische bestreping in de rug en in de flanken.

In de regel geen zichtbaar pheaomelanine (m.u.v. de bruin schimmels, deze moeten naast het maximale eumelanine ook maximaal pheaomelanine in hun bevedering tonen).

De grondkleur wordt beoordeeld in de rubriek waar de fout zich voordoet. Als de grondkleur te licht is door te weinig aanwezigheid van melanine of niet waarneembaar door te veel aan melanine dan wordt dit bestraft in de rubriek “Melanine”. Wanneer de grondkleur niet goed waarneembaar is als gevolg van het feit dat het lipochroom te zwak is wordt dat beoordeeld in de rubriek “Lipochroom”.

Ook bij gemelaniseerde vogels komt bontheid voor. Dit kan bestaan uit melanineloze veren, delen van veren of hoorndelen, zoals een melanineloze nagel of snavel.

Indien dit wordt geconstateerd, wordt de vogel niet gewaardeerd met punten.

Te breed omzoomde pennen bestraffen we met 2 of meer punten, afhankelijk van de ernst van de geconstateerde afwijking.

Zijn de hoorndelen (snavel, poten en nagels) lichter dan het overige melaninebezit, dan vindt naar rato puntenaftrek plaats.

In schaal 4 wordt in de 2e rubriek (“Lipochroom”) alleen de lipochroomkleur gewaardeerd.

We geven in deze rubriek enkel en alleen punten voor de zuiverheid en de diepte van de kleur.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 10 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 9 punten.

Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd, worden er punten in mindering gebracht. Vogels welke sterk meerkleurig zijn krijgen maximaal 6 punten in deze rubriek.

In schaal 4 van de keurlijst wordt in de 3e rubriek (“Categorie”) alleen de intensief- of de schimmelfactor gewaardeerd.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 15 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 14 punten.

 

Schaal 5
 

In schaal 5 van de keurlijst worden alle GELE en RODE LIPOCHROOOMVOGELS met de MOZAÏEKFACTOR beoordeeld (deze vogels al of niet met rode ogen en/of met de ivoorfactor).

Op de keurlijst wordt bij de rubriek “Lipochroom” alleen de lipochroomkleur gewaardeerd. We beoordelen in deze rubriek enkel en alleen de zuiverheid van de tint en de diepte van de lipochroomkleur. In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 20 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 18 punten.

Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd, worden er punten in mindering gebracht. Vogels welke sterk meerkleurig zijn krijgen maximaal 11 punten in deze rubriek.

Ook bij de mozaïeken wordt in deze rubriek alleen de lipochroomkleur beoordeeld (niet de mozaïektekening).

In schaal 5 van de keurlijst beoordelen we bij de rubriek “Categorie” de kwaliteit van de mozaïekfactor. In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 35 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 34 punten.

De volgende eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de mozaïekfactor.

Mozaïekvogels moeten contrastrijk zijn en een duidelijk afgebakend mozaïekpatroon laten zien, zoals hierna verwoord in de standaardeisen, zie hiervoor ook de schematische weergave in de bijlage Ideaalbeeld mozaïektekening. Buiten de aangegeven gekleurde gebieden moet de bevedering wit zijn. Al naar gelang de tekening en of het wit afwijkt van de standaardbeschrijving worden punten in mindering gebracht. Bij de mozaïeken van type 2 wordt in de lichte kleurslagen een lichte doorkleuring in de rug getolereerd, vogels zonder of met minder doorkleuring hebben de voorkeur.

Binnen de aangegeven gebieden moet de lipochroomkleur zo diep mogelijk zijn. Deze kleurdiepte wordt beoordeeld in de rubriek “Lipochroom”.
 

Mozaiek type 1

De hierna volgende beschrijving van de mozaïektekening betreft het ideaalbeeld, zie verder de nadere omschrijving in de tabellen van de diverse kleurslagen

Koptekening:

Deze moet bestaan uit een smalle en duidelijk gekleurde oogstreep, fijn getekend en goed zichtbaar direct achter het oog liggend. De oogstreep zal vaak beginnen halverwege het oog. Het type met de tekening achter het oog heeft de voorkeur.

Schoudertekening:

De schoudertekening moet goed begrensd zijn.

De lipochroomkleur moet zo diep mogelijk zijn.

De vleugelpennen moeten zo wit mogelijk zijn, enige nestkleur is toegestaan.

Stuittekening:

Deze moet diep gekleurd en afgebakend zijn. Staartpennen moeten zo wit mogelijk zijn, de lipochroomkleur van de stuit moet zo weinig mogelijk uitlopen in de staartpennen, enige nestkleur is toegestaan. Hoewel afwezigheid van doorkleuring in de staart de voorkeur heeft, wordt enige doorkleuring in de staart getolereerd.

Borsttekening:

De borstvlek moet gekleurd en goed begrensd zijn, is relatief klein ten opzichte van de borstvlek bij type 2 en mag niet doorlopen naar keel, flanken of onderbuik.

 

Mozaïek type 2

De hierna volgende beschrijving van de mozaïektekening betreft het ideaalbeeld, zie verder de nadere omschrijving in de tabellen van de diverse kleurslagen

Koptekening:

Het masker moet goed afgebakend zijn, de lipochroomkleur sterk aanwezig. De ogen moeten binnen het masker liggen.

Schoudertekening:

De schoudertekening moet goed begrensd zijn.

De lipochroomkleur moet zo diep mogelijk zijn.

De vleugelpennen moeten zo wit mogelijk zijn, enige nestkleur is toegestaan.

Stuittekening:

Deze moet goed gekleurd en afgebakend zijn. Staartpennen moeten zo wit mogelijk zijn, de lipochroomkleur van de stuit moet zo weinig mogelijk uitlopen in de staartpennen, enige nestkleur is toegestaan. Hoewel afwezigheid van doorkleuring in de staart de voorkeur heeft, wordt enige doorkleuring in de staart getolereerd.

Borsttekening:

De borstvlek moet gekleurd en goed begrensd zijn en mag niet doorlopen naar keel, flanken of onderbuik. Hierdoor is de borstvlek is driehoekig van vorm (met de punt naar beneden gericht).

 
 

Schaal 6

In schaal 6 van de keurlijst worden alle melaninevogels met GEEL of ROOD LIPOCHROOM met de MOZAÏEKFACTOR beoordeeld (deze vogels al of niet met de ivoorfactor).

In schaal 6 wordt in de eerste rubriek (“Melanine”) de kwaliteit van het melanine beoordeeld.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 10 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 9 punten.

Bij een gemelaniseerde vogel moet over de gehele bevedering melanine waarneembaar zijn, tenzij bij de afzonderlijke kleurslagen anders is beschreven.

De zwart- en bruinserie

-          Bij de zwart- en bruinserie is de hoeveelheid van het melaninebezit identiek wat betreft de hoeveelheid, alleen de kleur verschilt.

-          In de zwartserie maximaal zwart eumelanine.

-          In de bruinserie maximaal donkerbruine eumelanine.

-          Beide series moeten een duidelijke ononderbroken bestreping laten zien.

-          De breedte van de eumelanine bestreping mag bij de mozaïeken de bestreping iets breder zijn dan voor de intensieve exemplaren (verhouding maximaal 60/40).

-          Duidelijk en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.

-          De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.

De agaat- en isabelserie

-          Bij de agaat- en isabelserie moet de werking van de 1e reductiefactor duidelijk zichtbaar zijn. Hierdoor wordt de bestreping iets fijner en onderbroken in tegenstelling tot de vogels uit de zwart- en bruinserie. Als indicatie kan gesteld worden dat de bestreping in de agaat- en de isabelserie ongeveer half zo breed is als de bestreping van de vergelijkbare vogels in de zwart- en de bruinserie, indicatie verhouding 25/75 (ook hier betekent dit dat bij de mozaïeken de bestreping iets breder is dan bij intensieve vogels.).

-          De bestreping en de kleur van de pennen bij de agaat is zwart en bij de isabel bruin.

-          Duidelijke en goed waarneembare flankbestreping is een belangrijke eis! De eis die gesteld wordt aan de breedte van de rugbestreping geldt ook voor de flankbestreping.

-          De grondkleur moet zuiver en gelijkmatig zijn en duidelijk waarneembaar tussen de bestreping.

 

Voor de vier melaninegroepen onderscheiden wij de volgende eisen:

-          Het melaninebezit begint aan de snavelbasis.

-          Duidelijke bestreping, beginnend op de kop en via de rug en flanken doorlopend in de richting van de staart.

-          Symmetrische bestreping in de rug en in de flanken.

In de regel geen zichtbaar pheaomelanine (m.u.v. de bruin geel of rood mozaïeken, deze moeten naast het maximale eumelanine ook maximaal pheaomelanine in hun bevedering tonen; het totaalbeeld hoeft echter niet volledig met pheaomelanine overgoten te zijn, de grondkleur moet wel goed waarneembaar blijven).

 

De grondkleur wordt beoordeeld in de rubriek waar de fout zich voordoet. Als de grondkleur te licht is door te weinig aanwezigheid van melanine of niet waarneembaar door te veel aan melanine dan wordt dit bestraft in de rubriek “Melanine”. Wanneer de grondkleur niet goed waarneembaar is als gevolg van het feit dat het lipochroom te zwak is (in de tekeningsgebieden) wordt dat beoordeeld in de rubriek “Lipochroom”.

 

Ook bij gemelaniseerde mozaïek vogels komt bontheid voor. Dit kan bestaan uit melanineloze veren, delen van veren of hoorndelen, zoals een melanineloze nagel of snavel.

Indien dit wordt geconstateerd, wordt de vogel niet gewaardeerd met punten.

 

Te breed omzoomde pennen bestraffen we met 2 of meer punten, afhankelijk van de ernst van de geconstateerde afwijking.

Zijn de hoorndelen (snavel, poten en nagels) lichter dan het overige melaninebezit, dan vindt naar rato puntenaftrek plaats.

In schaal 6 wordt in de 2e rubriek (“Lipochroom”) alleen de lipochroomkleur gewaardeerd beoordeeld (niet de mozaïektekening).

We geven in deze rubriek enkel en alleen punten voor de zuiverheid en de diepte van de kleur.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 10 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 9 punten.

Al naar gelang er afwijkingen worden geconstateerd, worden er punten in mindering gebracht. Vogels welke sterk meerkleurig zijn krijgen maximaal 6 punten in deze rubriek. Bij de mozaïeken van type 2 wordt in de lichte kleurslagen een lichte doorkleuring in de rug getolereerd, vogels zonder of met minder doorkleuring hebben de voorkeur.

In schaal 6 van de keurlijst wordt in de 3e rubriek (“Categorie”) alleen de kwaliteit van de mozaïektekening gewaardeerd.

In deze rubriek kan de vogel, in theorie, 35 punten behalen. In de praktijk is het te geven maximum 34 punten.

De volgende eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de mozaïekfactor.

Mozaïekvogels moeten een duidelijk afgebakende tekening laten zien, zoals verwoord in de standaardeisen hierna, zie hiervoor ook de schematische weergave in de bijlage Ideaalbeeld mozaïektekening. Buiten de aangegeven gekleurde gebieden mag er geen rode of gele lipochroomkleur meer aanwezig zijn.

Al naar gelang de mozaïektekening afwijkt van de standaardeis, worden punten in mindering gebracht. Binnen de aangegeven gebieden moet de lipochroomkleur zo diep mogelijk zijn. Deze kleurdiepte wordt beoordeeld in de rubriek “Lipochroom”.

 

Mozaïek type 1

De hierna volgende beschrijving van de mozaïektekening betreft het ideaalbeeld, zie verder de nadere omschrijving in de tabellen van de diverse kleurslagen

Koptekening:

Deze moet bestaan uit een smalle en heldere gekleurde oogstreep, fijn getekend en goed zichtbaar in het verlengde van het oog liggend. Het oogstreepje zal vaak beginnen halverwege het oog. Het type met de tekening achter het oog heeft de voorkeur.

Schoudertekening:

De schoudertekening moet goed begrensd zijn. De lipochroomkleur moet zo diep mogelijk zijn. De vleugelpennen mogen geen lipochroom laten zien, minimale nestkleur is toegestaan.

Stuittekening:

Deze moet diepgekleurd en afgebakend zijn. Staartpennen mogen geen lipochroom laten zien, de lipochroomkleur van de stuit moet zo weinig mogelijk uitlopen in de staartpennen, minimale nestkleur is toegestaan. Hoewel afwezigheid van doorkleuring in de staart de voorkeur heeft, wordt minimale doorkleuring in de staart getolereerd.

Borsttekening:

De borstvlek moet diep gekleurd en goed begrensd zijn, is relatief klein ten opzichte van de borstvlek bij type 2 en mag niet doorlopen naar keel, flanken of onderbuik.

 

Mozaïek type 2

De hierna volgende beschrijving van de mozaïektekening betreft het ideaalbeeld, zie verder de nadere omschrijving in de tabellen van de diverse kleurslagen

Koptekening:

Het masker moet goed afgebakend zijn, de lipochroomkleur sterk aanwezig. De ogen moeten binnen het masker liggen.

Schoudertekening:

De schoudertekening moet goed begrensd zijn.

De lipochroomkleur moet zo diep mogelijk zijn.

De vleugelpennen moeten zo wit mogelijk zijn, minimale nestkleur is toegestaan.

Stuittekening:

Deze moet diep gekleurd en afgebakend zijn. Staartpennen moeten zo wit mogelijk zijn, de lipochroomkleur van de stuit moet zo weinig mogelijk uitlopen in de staartpennen, minimale nestkleur is toegestaan. Hoewel afwezigheid van doorkleuring in de staart de voorkeur heeft, wordt minimale doorkleuring in de staart getolereerd.

Borsttekening:

De borstvlek moet diep gekleurd en goed begrensd zijn en mag niet doorlopen naar keel, flanken of onderbuik. Hierdoor is de borstvlek is driehoekig van vorm (met de punt naar beneden gericht).

 
 

OVERIGE KEURRUBRIEKEN IN DE ZES KEURSCHALEN

Alle zes de keurschalen bevatten verder de onderstaande keurrubrieken.

Bevedering

15 punten.

In de praktijk geven we maximaal 14 punten.

De bevedering moet goed aangesloten en strak tegen het lichaam worden gedragen en compleet aanwezig zijn.

Bij de beoordeling van de bevedering moet men zich er rekenschap van geven of men te maken heeft met een intensieve, dan wel een schimmelvogel.

De schimmelvogels hebben meestal een iets langere bevedering, dit betekent echter niet dat schimmelvogels los in de bevedering mogen zitten.

Iedere vleugel dient 18 pennen te hebben en de staart 12. Soms ziet men dat een staart 13 pennen heeft, hiervoor mag men niet straffen.

Er wordt gestraft met een of meer punten indien:

-          een gebroken, onvolgroeide of ontbrekende pen wordt geconstateerd (straf minimaal 2 punten)

de vogel een spreidstaart, wenkbrauwen, oortjes of een open rugbevedering laat zien

-          lichaamsbevedering plaatselijk ontbreekt

-          open borstbevedering.

 

Grootte / vorm

15 punten.

In de praktijk worden maximaal 14 punten toegekend.

Met grootte bedoelt men de lengte van de vogel, welke is vastgesteld op 14 tot 14,5 centimeter. Iedere afwijking naar boven of beneden wordt gestraft met een of meer punten.

Met vorm bedoelen we het model van de kanarie, welke goed geproportioneerd moet zijn en waarbij alles in de juiste verhoudingen t.o.v. elkaar moet zijn.

De vorm van de vogel is de som van een aantal onderdelen. Deze moeten met elkaar in harmonie zijn.

 

Snavel:

Kort en breed. Niet te lang omdat daardoor de kop een spits aanzien krijgt. De bovensnavel moet goed op de ondersnavel sluiten.

Iedere afwijking aan de snavel straffen we met 1 punt.

 

Kop:

Een goed gevormde kop is rond en gewelfd en heeft een goede breedte. Iedere afwijking aan de kop straffen we met 1 punt.

 

Nek:

Deze moet goed gevuld zijn en niet te lang. Een zeer lichte nekinval is toegestaan. Iedere afwijking aan de nek straffen we met 1 punt.

Borst:

De borst moet rond, breed en goed gevuld zijn.

Een smalle, spitse of zware borst wordt als een ernstige fout gezien en bestraft met een of meer punten.

 

Rug:

De rug moet een rechte lijn vormen vanaf de nek naar de staart. Deze moet breed en vol zijn. Een goede aansluiting met de vleugels en de flanken is vereist.

Een holle rug is een ernstige vormfout en wordt altijd bestraft met 2 punten.

Iedere andere afwijking aan de rug straffen we met een of meer punten.

 

Vleugels:

De vleugels behoren aan te sluiten aan het lichaam. Ze komen op de stuit samen zonder elkaar te kruisen. Indien de vleugels kruisen kan dit een gevolg zijn van een te smalle vogel of te lange vleugels. Kruisende of afhangende vleugels bestraffen we met een of meer punten.

 

Staart:

De lijn van de staart moet de rechte lijn vanaf de kop-nek-rug voortzetten. De lengte van de staart moet in een juiste verhouding staan tot het lichaam.

Een te korte of een te lange staart moet als een vormfout worden aangemerkt en wordt bestraft naar gelang de ernst van de fout met 1 of meer punten.

Het einde van de staart moet een "V"-vorm tonen.

 

Pootjes:

De pootjes moeten iets gebogen en niet te lang zijn. Het bovenbeen (dij) moet gedeeltelijk zichtbaar zijn.

Te lange (stelterige) of te korte poten straffen we altijd met minimaal 1 punt.

In de rubriek Grootte / vorm wordt als minimum 10 punten gegeven.

 

Houding

10 punten.

In de praktijk wordt maximaal 9 punten gegeven.

Onder houding wordt verstaan de stand van het vogellichaam t.o.v. een horizontale lijn (de stok waarop de vogel zit).

De houding moet half opgericht zijn.

Een vogel die zich rustig gedraagt en de juiste houding aanneemt krijgt hiervoor 9 punten.

 

Een vogel die zich rustig gedraagt, maar die niet de juiste houding aanneemt wordt gestraft met 1 punt. Indien een vogel onrustig door de kooi beweegt of op de bodem blijft zitten, straffen we dit altijd met 2 punten.

Een vogel die onrustig is, kan ook op andere onderdelen punten verliezen, omdat deze dan niet goed waarneembaar zijn.

Minimaal worden er 7 punten gegeven.

 

Algemene indruk

5 punten.

In de praktijk geven we maximaal 4 punten.

In deze rubriek beoordelen we de reinheid en de uiterlijk waarneembare gezondheidstoestand van de vogel. Hier worden tevens ongewenste afwijkingen, zoals te lange nagels, niet vallende onder onherstelbare gebreken beoordeeld.

Vuil in bevedering en aan snavel en pootjes wordt in deze rubriek bestraft.

Al naar gelang de geconstateerde tekortkoming wordt gestraft met 1 of meer punten.

Minimaal worden 2 punten gegeven.

 

VERDERE KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN

Als aan een vogel 93 punten worden toegekend dan kan, indien dit noodzakelijk is, 5 punten voor algemene indruk worden gegeven.

 

Onherstelbare gebreken

Bij het constateren van een onherstelbaar gebrek worden aan de vogel geen punten toegekend. Men handelt als volgt:

Het geconstateerde gebrek wordt op de keurlijst vermeld met als toevoeging "Geen TT-vogel". In de kolom voor het toekennen van de punten wordt een diagonale streep gezet.

 

Onherstelbare gebreken kunnen zijn:

-          Missen van een nagel of teen.

-          Vergroeiingen aan nagels, poten of snavel.

-          Lumps.

-          Missen van een oog c.q. blindheid.

 

Zieke vogels

Ook bij vogels die ziek zijn of die (zichtbaar) in het bezit zijn van ongedierte handelt men op dezelfde wijze als bij onherstelbare gebreken.

In dit laatste geval zet men op de keurlijst: “Vogel is niet in TT-conditie”.

 

Bontheid

Dit kan voorkomen bij lipochroomvogels in de vorm van gemelaniseerde veren of hoorndelen en bij de gemelaniseerde vogels als ongemelaniseerde veren of delen van veren en of hoorndelen. In beide gevallen zal de vogel niet worden gekeurd (NG = “niet gewaardeerd met punten”).

 

Instructies voor het invullen van de keurlijst.

Voordat de keurmeester aan de beoordeling begint, vult hij eerst de datum, kooinummer(s) en de juiste kleurbenaming in op de keurlijst.

Als laatste handeling wordt een naamstempel met paraaf geplaatst onder aan de keurlijst, ter verantwoording van de keuring.

Alle tekortkomingen worden vermeld bij Opmerkingen. De omschrijving die hier beschreven wordt, moet in overeenstemming zijn met de puntenwaardering in de verschillende keurrubrieken.

Heel belangrijk is ook om hier positieve bevindingen te vermelden.

 
 

REGELS VOOR HET TOEKENNEN VAN STAMEENHEIDSPUNTEN.

 

Een stam kleurkanaries wordt gevormd door 4 vogels van dezelfde kleurslag, van het laatste en/of voorlaatste broedjaar (eigen kweek) en van één kweker.

Bij de keuring van een stam worden de vier vogels elk afzonderlijk gekeurd op één keurlijst.

De keuring en puntentoekenning van de afzonderlijke vogels geschiedt op dezelfde wijze als bij enkelingen, conform hiervoor beschreven in deze standaardeisen.

 

Naast de puntentoekenning voor de individuele vogels worden aan een stam nog eenheidspunten toegekend. Het aantal eenheidspunten wordt bepaald door de mate van eenheid in de eindtotalen van de individuele vogels. Indien de 4 vogels ieder hetzelfde eindtotaal hebben wordt een aantal van 6 eenheidspunten toegekend. Indien de eindtotalen niet gelijk zijn wordt het aantal van 6 eenheidspunten verminderd met het verschil tussen het hoogste en het laagste eindtotaal van de 4 individuele vogels.

Voorbeeld 1: indien de hoogst gewaardeerde vogel 92 punten heeft behaald en de laagst gewaardeerde vogel 90 punten is het verschil tussen de hoogste en de laagste 2 punten. In dit geval worden (6 - 2 =) 4 eenheidspunten toegekend.

Voorbeeld 2: indien de hoogst gewaardeerde vogel 92 punten heeft behaald en de laagst gewaardeerde vogel 87 punten is het verschil tussen de hoogste en de laagste 5 punten. In dit geval wordt (6 - 5 =) 1 eenheidspunt toegekend.

Bij een verschil van 6 punten worden geen eenheidspunten toegekend.

Indien het puntentotaal van de 4 vogels gezamenlijk (zonder eenheidspunten) lager is dan 348, worden geen eenheidspunten toegekend.

Indien bij het toekennen van prijzen onderscheid gemaakt moet worden tussen stammen die gelijk eindigen, dan krijgt de stam met het hoogste aantal eenheidspunten voorrang.

Als aan de bovengestelde voorwaarden voor een stam niet wordt voldaan (bijvoorbeeld omdat de vogels niet van dezelfde kleurslag zijn), beslist de keurmeester dat de stam niet als stam gekeurd mag worden. De vogels worden dan, op vier aparte keurlijsten, als enkeling gekeurd. Bovendien vermeldt de keurmeester op een aparte keurlijst waarom de stam niet als stam is gekeurd.

 

REGELS VOOR HET TOEKENNEN VAN STELEENHEIDSPUNTEN.

 

Een stam kleurkanaries wordt gevormd door 2 vogels van dezelfde kleurslag, van het laatste en/of voorlaatste broedjaar (eigen kweek) en van één kweker.

Bij de keuring van een stel worden de twee vogels elk afzonderlijk gekeurd op één keurlijst.

De keuring en puntentoekenning van de afzonderlijke vogels geschiedt op dezelfde wijze als bij enkelingen, conform hiervoor beschreven in deze standaardeisen.

 

Naast de puntentoekenning voor de individuele vogels worden aan een stel nog eenheidspunten toegekend. Het aantal eenheidspunten wordt bepaald door de mate van eenheid in de eindtotalen van de individuele vogels. Indien de 2 vogels ieder hetzelfde eindtotaal hebben wordt een aantal van 3 eenheidspunten toegekend. Indien de eindtotalen niet gelijk zijn wordt het aantal van 3 eenheidspunten verminderd met het verschil tussen het hoogste en het laagste eindtotaal van de 2 individuele vogels.

Voorbeeld 1: indien de hoogst gewaardeerde vogel 92 punten heeft behaald en de laagst gewaardeerde vogel 90 punten is het verschil tussen de hoogste en de laagste 2 punten. In dit geval worden (3 - 2 =) 1 eenheidspunten toegekend.

Voorbeeld 2: indien de hoogst gewaardeerde vogel 92 punten heeft behaald en de laagst gewaardeerde vogel 87 punten is het verschil tussen de hoogste en de laagste 5 punten.

Bij een verschil van 3 punten worden geen eenheidspunten toegekend.

Indien het puntentotaal van de 2 vogels gezamenlijk (zonder eenheidspunten) lager is dan 174, worden geen eenheidspunten toegekend.

Indien bij het toekennen van prijzen onderscheid gemaakt moet worden tussen stellen die gelijk eindigen, dan krijgt de stam met het hoogste aantal eenheidspunten voorrang.

Als aan de bovengestelde voorwaarden voor een stel niet wordt voldaan (bijvoorbeeld omdat de vogels niet van dezelfde kleurslag zijn), beslist de keurmeester dat het stel niet als stel gekeurd mag worden. De vogels worden dan, op twee aparte keurlijsten, als enkeling gekeurd. Bovendien vermeldt de keurmeester op een aparte keurlijst waarom het stel niet als stel is gekeurd.

                                                                                                  TERUG BEGIN