KLASSIEKE MELANINE IN DE ISABELSERIE
ALGEMEEN
De kleurkanaries behorende tot deze melanineserie zijn in het bezit van de eerste reductiefactor. Deze is verantwoordelijk voor de reductie van het phaeomelanine en van het eumelanine.
De duidelijke en onderbroken bruine bestreping is aanwezig op een ondergrond vrij van zichtbaar phaeomelanine.
Door de werking van de eerste reductiefactor zal de bestreping fijn en onderbroken zijn. Hier wordt als indicatie gegeven dat de bestreping ongeveer half zo breed is als de bestreping in de maximum melanineseries (indicatie verhouding 25j75). Bij schimmels en bij mozaïeken mag de bestreping wat breder zijn dan bij de intensieve vogels. Deze bestreping moet wel duidelijk onderbroken zijn. De bestreping moet beginnen op de kop en via de rug doorlopen in de richting van de staart, ook de flanken moeten een duidelijke bestreping laten zien, deze bestreping moet in harmonie zijn met de rugbestreping. Een duidelijke flankbestreping is een belangrijke eis!
Het melanine moet aan de snavelbasis beginnen.
Melaninestippen onder de snavel welke zich meestal bevinden tussen de baardstrepen zijn niet toegestaan. Bij de mozaïeken mogen deze melaninestippen wel aanwezig zijn.
Bij de vleugel- en staartpennen en in de dekveren begint het bruine eumelanine in de schacht van de veer en strekt zich uit naar de buitenzijde. Alleen aan de vaanzijde van de veer moet de grondkleur zichtbaar zijn. Zichtbaar phaeomelanine is niet toegestaan. Er mag geen onderbreking van melanine zijn in de vleugel- en staartpennen.
De poten moeten vleeskleurig zijn, de snavel en nagels hoornkleurig.
De egale, lichtbeige grondkleur moet duidelijk waarneembaar zijn vanaf de kop en doorlopen tot tussen de poten. Een minimaal aanwezig phaeomelanine is tolereerbaar bij de schimmelvogels en bij vogels met witte lipochroomkleur, dit phaeomelanine uit zich dan als een lichtbeige tint in de grondkleur. Vogels zonder zichtbaar phaeomelanine genieten de voorkeur. Dit betekent niet dat deze vogels puur wit of puur geel of rood mogen zijn tussen de bestreping.
De intensieffactor en de optische factor spelen een belangrijke rol om de kleurintensiteit te bepalen, teveel werking van de optische factor zal de bestreping te hard maken. De ivoorfactor zorgt voor iets minder contrast in de vogels.
Vogels met melanineloze veren worden niet gewaardeerd met punten (aantekening NG: niet gewaardeerd met punten).
ISABEL WIT
Onder deze serie vallen de volgende kleurslagen:
|
Kleur |
Opmerkingen |
|
Isabel wit dominant |
Bruine bestreping. Bij wit dominant dient minimale, |
|
Isabel wit recessief |
doch waarneembare gele aanslag in de onderste vleugelpennen aanwezig te zijn. |
Er wordt gestreefd naar zo weinig mogelijk of geen zichtbaar phaeomelanine op een lichtbeige grondkleur. We maken in de serie isabel wit geen onderscheid tussen intensieve en schimmelvogels. Voor deze vogels gelden de volgende eisen:
- Het melaninebezit begint aan de snavelbasis.
- Duidelijke, onderbroken, bruine bestreping, beginnend op de kop en via de rug en flanken doorlopend in de richting van de staart.
- Vleugel- en staartpennen bruin van kleur, zonder zichtbaar phaeomelanine en met een smalle lichtbruine omzoming.
- Poten: vleeskleurig; de snavel en nagels: hoornkleurig.
- Grondkleur zuiver, helder en egaal minimaal verweven met het melaninebezit,.
- Enigszins waarneembaar aanwezig zijn van de optische factor zal de helderheid van de kleuruiting ten goede komen.
- Bij de dominant witte moet minimale, doch waarneembare gele aanslag in de onderste vleugelpennen aanwezig zijn.
Opmerking:
Een teveel aan werking van de optische factor kan de grondkleur een koude tint geven en de bestreping te hard maken, dit is ongewenst.